Het geheim van het grachtenpand

Op de allerhoogste verdieping springt een lampje aan. Bewonderend kijk ik omhoog naar het grachtenpand. Dat moet het zijn! Mijn vinger beweegt langzaam naar voren, ik bel aan. Ik wacht. Mijn hart bonst. Er gebeurt niets. De adrenaline staat aan. Mijn buik draait om. Het giert, raast en wentelt. Buiten mij is het angstvallig stil. Ik ben een volwassene, terug in ’t ouderwetse spel van belletje-trek. Met als groot verschil, om dan nu, in kwetsbare ontspanning, te blijven staan.

Geschreven door: Jelmar Starkenburg tijdens Shuffle Schrijfmarathon 2019 (winnaar tweede prijs)

Vandaag ben ik op reis in eigen land. In Alkmaar welteverstaan. Ik zet mijn reizigersmentaliteit op AAN. Een reis met een duidelijk doel: wonen in een grachtenpand. Zo’n pand van een miljoen, van hout het liefst, dat kraakt en leeft, en het gevoel van een herberg geeft.

Zo ga ik op pad, de verborgen straatjes en steegjes in. Het groen van de Sint-Jakobsstraat door. Langs gele en rode pompenen. Een hoek om waar mini-tuintjes en speelgoed voor volwassen in grote getale aanwezig zijn. Bij een gevel blijf ik staan. Er staat ‘Omerta’ geschreven en ik denk ‘Ja, dat is het misschien wel. Een onuitgesproken geheimhoudingsplicht, een stilzwijgen van de stad die de schoonheid bewaart, dat kennen en delen ze hier.

Tijd voor actie. Hup! De grachten op. Ik beland in een buurtgesprek, loop alle grachten langs. Ik span me in, zonder in overdaad te gaan. Een deur staat open, ik vraag raak. ‘Of ik hier toch slapen kan?’. Ik ontvang één nee, en dan twee. Ik biedt al mijn diensten aan. Ik kan koken, stofzuigen en strijken. Net een ouderwetse knecht.

Meneer meneer: “Ik wil graag slapen in uw grachtenpand. Er is maar één probleem, ik heb geen geld!” De zakenman met slangenleren schoen laat ik staan. Het dure wooncomplex met ijzeren garagedeur ga ik voorbij. De zachte buurtbewoner staat me bij. Wanneer ik verlangend bij een gezellig klein pandje naar binnen kijk, klopt mijn hart. De prijs slaat me plat. Na al die kilometers, over bergen en door bossen, sta ik nu in de stad. Voor het eerst met lood in mijn schoenen.

Na vele pogingen kom ik terug in de Kings Inn, daar voel ik me thuis. In de avond luisteren we naar Wies haar vele liefdes. En daar, opgaand in de muziek, besef ik me maar al te goed: dat zo diep gewenste grachtenpand, dat bevindt zich, al helemaal, in mij. Dat huis met al z’n waardigheid, fabelachtig vakmanschap in schilderwerk, zijn imperfecte blik van scheefstaande perfectie, naar voren hellend over de gracht om zich te verwonderen over zijn eigen schoonheid.

Met frisse moed loop ik de koude avondlucht in. Net voor een witte ophaalbrug verschijnt in mijn ooghoek een schildersezel achter een raam. Dat trekt me aan. Het is een lieflijk en klein grachtenpand. Het lijkt net alsof het daar niet helemaal hoort. Ik spiek naar binnen, verzamel al mijn moed, en bel dan aan:

Hallo heer! Ik heb een bijzondere vraag: ik ben opzoek naar een grachtenpand waar ik voor een nachtje slapen kan. Naakt met een fles rode wijn in de hand, kijk ik op tegen de meneer, die met fronsende wenkbrauwen in zijn voordeur staat. Zou dat bij jullie kunnen misschien?

Nou nee, bij ons is het daarvoor wat te klein! Ik zucht diep, adem uit en vertel mijn verhaal, over mijn reis, en zoektocht. En dan, tot mijn grote verbazing, zegt hij: ‘In december zijn wij op reis en mag je wel in ons huis!’

Met fles wijn, backpack in de hand, mag ik binnenkomen. Ik ontmoet zijn vrouw en neem plaats op de bank. We praten uren lang, de tijd staat uit, die is niet meer. Ik denk nog even: het ziet er hier precies zo uit als in mijn dromen. En straks woon ik hier.

Ik voel me als een herbergier in een grachtenpand, de koning te rijk.

Jelmar in Alkmaar

Geef een reactie