De vrouw met een witte rok

Een vrouw met een witte rok tot over haar enkels onderhandelt met de marktkoopman over de prijs van een bos wortels. Als ik heel erg mijn best doe, kan ik ze bijna horen. Wat zou hij vragen? Een halve gulden? Of hadden ze florijnen in die tijd? Ik kijk op de opdruk, hoewel ik eigenlijk al weet wat er staat: ‘1650’ lees ik, en ik tik het in op wikipedia: ‘Vroeger werd er gesproken over de gulden florijn, naar de italiaanse fiorino d’oro, voordat werd overgegaan werd op de verbastering gulden.’ Mijn aandacht gaat weer naar de minuscule man en vrouw bij de marktkraam op de Langestraat. Zouden zij enig besef hebben van het leven in Italië; de wereld buiten Alkmaar?

Geschreven door Loen van Gulick tijdens de Shuffle Schrijfmarathon 2019.

Elke zondag sta ik tegenwoordig in het museum van Alkmaar naar de maquette te kijken. Te dromen. Te mijmeren. Uren kan ik opgaan in het ogenschijnlijk simpele leven van de poppetjes in de mij bekende straten van Alkmaar. Wat houdt deze mensen bezig, wat vragen zíj zich af? Geluiden die ze horen zijn die van houten wielen van de wagens vol fruit, het gelach van de kinderen die spelen met een hoepel en een bal, een hond die blaft. Naast het koppel staat een man met paard en wagen, hij heeft een platte pet op. Hij kijkt me aan.

schapenbrug (002) LOEN

Hij kijkt me aan? En dan gebeurt het. Sneller dan het licht, maar tegelijkertijd in een trage stroperige beweging verandert het glas van de maquette in een warme draaikolk zonder geluid. Terwijl ik mijn lichaam voel kantelen, kijk ik om me heen om te zien of de andere museumbezoekers dit ook zien gebeuren. Maar ik zie ze al niet meer; de man die naast mij stond is al veranderd in een onduidelijke veeg waarin ik de kleur herken van zijn lange bruin-beige jas. En voor ik een geluid uit kan brengen, val ik al op de grond. Als een reflex sta ik snel op en klop ik zanderige aarde van mijn knieën. De vrouw naast me kijkt verbaast op. Haar aandacht maakt dat ik me geneer me voor mijn rommelige actie en mijn vieze broek, terwijl zij er zo smetteloos uitziet met haar lange witte rok.

Ik weet wie ze is. Ik ken ieder detail van haar netjes gemodelleerde haar, het leren schort dat ze draagt, de plooien van haar rok. Maar haar bewegingen kende ik nog niet. Ze beweegt sierlijk als ze zich weer terugdraait naar de marktkoopman, wiens blik nog even bedenkelijk op mij blijft rusten. Ik loop verder de Langestraat in. Ik herken ze allemaal. De weledelgestrenge heer met zijn chique wambuis, de in lappen gehulde dame met juten zak over haar schouder, de bedelaar die zijn hand hand ophoudt voor het portiek van de Waardijk. Alleen, er is geen Waardijk. En geen Bristol, geen Hema, geen Van der Meulen. En wat stinkt het hier.

langestraat (002) LOEN

Ik kijk omhoog, zoekend naar de plek waar ik vandaan kom. Niets dan een vredig wolkendek. Hoe kom ik hier in godsnaam weer uit, vraag ik me af in lichtelijke staat van paniek. Oké, mijn urenlange observaties zijn niet voor niets geweest; ik weet exact in welke straten de glazen wand optrekt. Ik ren naar de accijnstoren en staar naar een punt boven het kanaal: hier móet het zijn. Vanaf dat punt keek ik vorige week nog naar de gezette wandelaar, terwijl ik me inbeeldde dat hij verlangd keek naar de zeelui, niet wetend dat hij langs het pand liep dat enkele eeuwen later zou fungeren als COC café. De gezette wandelaar zag ik nu weer, en ook de hardwerkende zeelui, maar geen glazen wand of iets anders dat aangaf dat hier een einde zou zijn.

Ik ren naar de Houttil: geen glazen wand. Naar Taormina: geen glazen wand. De Schapenbrug, Luttik Outdorp, de Gedempte Nieuwesloot. Geen glazen wand, geen glazen wand, geen glazen wand. Ik strompel naar de visbanken, wat altijd als een vertrouwd plekje heeft gevoeld. Het samenspel van kleurige stemmen klinken als een overdonderend orkest. Ik leg mijn ellebogen op de houten brugleuning en kijk naar de boten vol vis en de  burgers die hun taken van alledag uitvoeren. Vis kopend of verkopend, zich niet afvragend of het leven ook anders zou kunnen zijn.

Naast me komt een jongen staan, hij leunt tegen de reling. ‘Mijn naam is Carel’, zegt hij, en omdat hij naar boven kijkt vraag ik me eerst af of hij het wel tegen mij heeft, maar omdat er verder niemand binnen gehoorafstand staat, moet het toch het geval zijn, en eerlijk gezegd beurt het me een beetje op. Als dit vanaf nu dan mijn nieuwe leven zal zijn, dan kan ik maar beter een vriend hebben. ‘Wat ik me nou altijd afvraag’, vervolgt hij, ‘wat daar nou áchter zou zijn, snap je?’ Ik volg zijn blik naar de hemel. ‘Soms denk ik dat er dingen zijn, waar wij geen besef van kunnen hebben. Stel nou dat de onze wereld, niet alles is, maar dat er iets groters is. En dat een stel reuzen is die ons vanuit daarboven observeert.’

Hij kijkt me aan en geeft me een vriendelijke grijns. ‘Stukje lopen?’ Ik knik, en tezamen lopen over de platte stenen brug.

Bekijk ook: De helden van de marathon

Geef een reactie